Proefles: Beroepsfotograaf worden

Beroepsfotograaf-worden

De opleiding Beroepsfotograaf worden volg je bij het NTI

Met deze proefles krijg je een indruk van de beroepsopleiding Beroepsfotograaf van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.


Het nieuwe studeren begint hier

Bij het NTI studeer je op je eigen manier. Je kunt op ieder gewenst moment met de opleiding van je keuze beginnen. Dankzij het nieuwe studeren, bepaal je zelf waar en wanneer je studeert. Het nieuwe studeren brengt nog meer voordelen met zich mee. Het is de ideale combinatie van online thuisstudie en klassikale bijeenkomsten. Je volgt thuis een opleiding en je maakt gebruik van moderne studiemethodes waaronder de online leeromgeving, waar je contact met andere studenten en docenten hebt, e-modules, interactieve opdrachten en video-instructies. Hiernaast worden tijdens een groot deel van de opleidingen enkele praktijkdagen en/of workshops georganiseerd.

Lees ook de ervaring van Kelly Verhulst:
"Ik vind het zeer prettig om bij het NTI te studeren. De studiestof is duidelijk omschreven en ik kan in mijn eigen tempo werken. Als ik een periode minder tijd heb, studeer ik wat minder en andersom. De praktijkdagen zijn een aanvulling op de leerstof, hier oefen je ook goed met de geleerde theorie. Zeker een aanrader!"

10. Licht en schaduw, kleur en vorm en dynamiek

In dit hoofdstuk nemen we licht en schaduw, de daarbij behorende kleur en vorm, en de dynamiek als onderwerp voor onze foto's. Licht en schaduw liggen als fotografische onderwerpen voor de hand, fotograferen is immers het registeren van licht (en de daarbij horende schaduwen). Kleur is daar direct van afgeleid, aangezien kleur feitelijk het zien van een bepaald soort licht is (licht met een bepaalde golflengte).

Vorm is de volgende afgeleide factor. Vormen zien we doordat verschillende soorten licht op een bepaalde manier op ons netvlies vallen. De vorm is een directe afgeleide van het licht. Ook diepte die we in een vorm zien, bijvoorbeeld een bol, is afhankelijk van licht en kleur. Stel u een witte biljartbal op een zwart vlak voor. Als we deze zouden fotograferen en sterk overbelichten, zouden we geen witte bol, maar een witte cirkel zien. U hebt al een specifieke toepassing van vorm en belichting gezien. Het hoofd van Aphrodite (hoofdstuk 8) lijkt soms van een ander beeld te zijn als het vanaf een andere kant wordt belicht en we de gezichtshoek van de camera wijzigen. Omdat we driedimensionale objecten in foto's plat afbeelden, is de vorm afhankelijk van de hoek en de belichting. Een afgeleide van vorm is patronen of herhaling, ofwel het telkens terugkeren van bepaalde vormen.

Dynamiek, ofwel beweging of snelheid, is de laatste factor die we bekijken. Een foto is een momentopname, en daarom een afbeelding van een plakje uit de tijd. Een bewegend voorwerp wordt daardoor eigenlijk uit het verband gerukt. U weet inmiddels dat we door een aangepaste sluitertijd beweging kunnen suggereren.

10.1 Licht en schaduw

In het oefenrolletje voor licht en schaduw is het vooral belangrijk dat u van tevoren bepaalt hoe u licht wilt fotograferen en vervolgens besluit op welke manier u dat doet. In veel gevallen zult u ofwel de gevoeligheid moeten aanpassen (door de ISO-waarde te wijzigen of de combinatie diafragma/sluitertijd aan te passen) of door het licht op een bepaalde manier te fotograferen. Als u in het begin niet goed weet op welke manier u een foto het beste kunt maken, experimenteer dan. Bekijk dan later hoe de foto is geworden en waarom. Bekijk bijvoorbeeld een aantal foto's die (al dan niet met bracketing) met verschillende EV-correcties zijn gemaakt en probeer te bepalen waarom de foto's zo geworden zijn. Bepaal vervolgens ook uw voorkeur voor die bepaalde foto.

We kunnen licht direct en indirect fotograferen. Direct fotograferen we de lichtbron, indirect de resultaten van de lichtbron. U hebt al enkele directe voorbeelden gezien, bijvoorbeeld de foto van een zonsondergang en foto's van de maan. De lichtbron, de zon, is zelf in de foto zichtbaar. Ook lampen kunnen binnenshuis dienen als bron voor direct licht.

Direct-licht

1. Maak een aantal foto's waarin de lichtbron zelf direct zichtbaar is.

Neem bijvoorbeeld een aantal foto's van zonsopkomst of -ondergang (pas op bij het direct fotograferen van fel zonlicht) of de maan. Experimenteer met witbalans en belichtingsinstellingen.

2. Neem een aantal foto's van één bepaalde lichtbron binnenshuis (zie bijvoorbeeld foto 02).

Bepaal hierbij van tevoren de ISO-waarde en witbalans en experimenteer alleen met diafragma, sluitertijd en belichtingscorrectie. Probeer de foto zodanig te maken dat de lichtbron zelf duidelijk als helder licht zichtbaar is, maar niet de hele foto overstemt.

Zie ter toelichting de afbeeldingen op de volgende pagina.

In foto 02 heb ik de witbalans ingesteld op het witte plafond. Daarna heb ik een aantal foto's met verschillende belichtingsinstellingen genomen en geselecteerd. De lampen zijn duidelijk zichtbaar, maar niet als grote witte vlekken die de foto volledig overheersen. Het kleurenspel van de halogeenlampen op het plafond en de schaduwen van de spandraden waaraan de lampen hangen is nog duidelijk zichtbaar en komt op deze foto aardig uit (f/2.6,1/10 sec, EV -2.0).

Vaak zult u een hele serie moeten maken omdat het juist bij dergelijke foto's erg moeilijk is om van tevoren te bepalen welke instellingen vereist zijn. In afbeelding 10.2 ziet u vier foto's uit een reeks van bijna 40 foto's met verschillende instellingen.

Foto's 03 (f/7.5, 4 sec EV +1.0) en 04 (f/3.7, 1/30 sec, EV -1.0) zijn de uitersten uit de reeks die duidelijk te licht en te donker zijn. Uit deze reeks vond ik foto 05 een aardige balans tussen de hoeveelheid licht, de lamp zelf en de kleuren op het plafond f/2.6, 1/6 sec, EV 0). Daarna heb ik met bijna dezelfde instellingen nog een foto gemaakt, waarbij ik de foto iets lichter maakte (EV +0.3) en een glaasje op de lens heb gelegd. Op de plek waar de lamp zelf zichtbaar zou worden heb ik een kleine veeg met mijn vinger gemaakt op het glaasje. Dit leverde foto 06 op.

3. Neem nogmaals enkele foto's en experimenteer nu ook met de witbalans en ISO-waarden.

Doe dit pas als u begrijpt hoe de instellingen in de vorige stappen de hoeveelheid licht in de foto beïnvloeden.

Opnieuw-halogeenbelichting

Afbeelding 10.3: Opnieuw halogeenbelichting, maar nu met variaties in witbalans [07, 08].

In de foto's 07 en 08 heb ik de witbalans ingesteld op het gedeelte van de muur waar de halogeenverlichting de gekleurde strepen wierp. Het resultaat hiervan is dat het witte gedeelte van de muur blauw wordt weergegeven, de lampen zelf zijn wel wit.

10.1.1 Indirect licht en schaduw

In vrijwel alle getoonde foto's is geen lichtbron zichtbaar en ze voldoen dus als voorbeelden van indirecte belichting. In dit rolletje zoeken we echter naar bijzondere foto's. De foto in afbeelding 10.4 is een mooi voorbeeld. De zon is zelf niet te zien, maar de stralen die door de wolken boven zee breken wel.

1. Zoek zelf enkele voorbeelden van indirect licht. Denk daarbij aan de voorbeelden in afbeelding 10.4 en 10.5.

Probeer deze foto's zo goed mogelijk te belichten met behulp van de kennis die u inmiddels hebt opgedaan.

In foto 10 ziet u het licht dat door een glas-in-lood raam invalt. Deze foto heb ik in zwart-wit gemaakt, omdat ik niet bijster onder de indruk was van de kleuren zelf, maar wel van het licht dat op dat moment mooi de kerk binnenviel. Foto 11 toont de Aphrodite/Venus van Dali(met laatjes) in een nis, waarbij een lamp het beeld vanaf de achterzijde belichtte. Zoals u boven in de foto kunt zien, had ik op dat moment geen polarisatiefilter bij me.

Ook foto's met schaduwen zijn een goed voorbeeld van indirect licht, omdat we de schaduw van een object in de foto belangrijker kunnen maken dan het object zelf. Soms kunnen we het object zelf weglaten, omdat de schaduw voldoende informatie geeft. Denk bijvoorbeeld aan een foto van een fietser, waarbij u alleen de schaduw op het wegdek ziet. Maak dergelijke foto's met een laagstaande zon, zodat de schaduw groot genoeg is.

2. Maak enkele foto's waarin u de schaduw van objecten het hoofdmotief van de foto maakt.

U kunt ook foto's maken waarbij de zon (of een andere lichtbron) zich achter het object bevindt, zodat we alleen een silhouet op de foto krijgen. U kunt ook wat meer abstracte foto's maken, waarbij u een gedeelte van het object en een gedeelte van de schaduw toont, zoals in de foto in afbeelding 10.6.

Paul-staat

Hier staat iemand in de branding, terwijl de voeten steeds verder in het zand zakken door het komen en gaan van de golven.

10.1.2 Speciale vormen van belichting

Een vaak gebruikte speciale vorm van belichting is de extreem lange belichting. Normaal gesproken is een belichtingstijd van 1/4 sec al lang te noemen. Wanneer er echter erg weinig licht is, zult u veel langere belichtingstijden moeten toepassen. De mogelijkheden van uw camera bepalen echter wat de maximale belichtingstijd is.

Sommige camera's hebben belichtingstijden varierend van zeer kort (bijvoorbeeld 1/1000 sec of nog korter) tot enkele seconden (1 of 2 sec). Sommige camera's bieden naast nog langere belichtingstijden (bijvoorbeeld tot 8 sec) ook nog een speciale stand, vaak Bulb genaamd, waarin u nog langer kunt belichten. Voorbeelden van belichtingen van 4 tot 8 seconden zullen we later bij het gedeelte over dynamiek zien.

In afbeelding 10.7 ziet u twee foto's die ik rond middernacht maakte bij volle maan, terwijl er juist een laagje sneeuw was gevallen (tussen kerst en nieuwjaar). Onder deze omstandigheden zou een belichting van enkele tientallen seconden al een goed beeld moeten opleveren, wat inderdaad het geval bleek. Foto 13 heeft een belichtingstijd van 20 sec, foto 14 van 1 minuut (beide foto's f/3.7, ISO 100, witbalans Auto, Quality Fine en Noise Reduction ingeschakeld).

In de foto's ziet u duidelijk de scherpe schaduwen onder het klimrek die door de bijna loodrecht erboven staande maan werden veroorzaakt. Bij lange belichtingstijden worden zelfs de sterren streepjes vanwege de draaiing van de aarde. De foto's zijn enigszins onscherp. Dit heeft twee redenen. De eerste was de harde en koude wind, die de camera op het statief deed bewegen. De tweede was een indirect gevolg van dezelfde koude wind. Aangezien ik mijn vinger in de stand Bulb op de ontspanknop moest houden en de koude wind ook mij niet helemaal onaangedaan liet, is er enige camera-onscherpte ontstaan. Vanwege de extreem lange belichtingstijd veroorzaakt een korte trilling echter niet zoveel onscherpte als wanneer ik een foto met een sluitertijd van 1/8 sec uit de hand zou nemen.

De foto van de sterren in afbeelding 10.8 is eveneens met een belichtingstijd van 1 minuut gemaakt, het contrast is achteraf bijgewerkt. Naast de sterren, die door de beweging van de camera streepjes zijn geworden, ziet u in de afbeelding ook lichte puntjes. Deze puntjes zijn geen streepjes geworden, wat aangeeft dat daar iets anders mee aan de hand is.

10.2 Kleur en vorm

Het testrolletje voor kleur en vorm begint gemakkelijk.

1. Plaats telkens een aantal gekleurde objecten tegen een neutrale (zwarte of witte) achtergrond en fotografeer deze met verschillende belichtingen.

Deze foto's kunt u achteraf gebruiken om de foto's op uw scherm of de kleurenafdrukken te vergelijken met de objecten.

Defecte pixels?
Een CCD kan defecte pixels hebben, meestal stuck pixels genoemd. Dit zijn daadwerkelijk defecte pixels die als gekleurde stippen (meestal een van de kleuren van het color array, bijvoorbeeld magenta) verschijnen. Daarnaast zijn er dode pixels, die geen meting doorgeven en dus altijd zwart worden weergegeven in de foto's. Deze beide soorten defecte pixels zijn daadwerkelijke defecten. Daarnaast bestaan er zogenaamde hot pixels. 

Deze lijken op stuck pixels, in die zin dat ze als een stipje in een van de kleuren van het array in de foto zichtbaar zijn. In sommige gevallen zijn ook kleurencombinaties mogelijk, namelijk wanneer er twee pixels naast elkaar defect zijn. Het grootste verschil tussen defecte en hot pixels is dat de hot pixels pas ontstaan bij langere belichtingstijden. Het ontstaan van hot pixels is daarmee enigszins vergelijkbaar met ruis. De hot pixels worden vanaf een bepaalde belichtingstijd pas zichtbaar aangezien de individuele pixels van de beeldsensor na enige tijd (meestal pas vanaf enkele seconden) niet meer nauwkeurig meten. In de meeste gevallen treedt er een soort lekken van de meetspanning op. Dit is normaal, elke beeldsensor heeft hier last van (en elke pixel). De mate waarin dit gebeurt kan echter sterk variëren. Sommige pixels hebben dit sterk, waardoor ze vaak als very hot pixels worden aangeduid. Deze verschijnen als een duidelijke heldere gekleurde pixel in uw foto's. Als dit op bijvoorbeeld een donkere achtergrond gebeurt en de foto wordt opgeslagen in JPG-compressie, is het mogelijk dat ook de directe omgeving van dit pixel wordt aangetast. Dit komt dan echter door de JPG-compressie, niet doordat de lekspanning de omringende pixels aantast. Als een camera last heeft van veel echte defecte pixels, kunt u het beste terugkeren naar de leverancier en op de fouten wijzen. Een aantal fabrikanten zal de sensor binnen de garantieperiode kosteloos vervangen. Soms wordt de camera aangepast en wordt de meting van een bepaalde defecte pixel als het ware geholpen door de buurpixels. Dit zult u normaal gesproken in uw foto's nooit terugzien. Als een camera last heeft van hot pixels, kunt u de camera ook terugsturen, maar het is de vraag of de fabrikant bereid is er iets aan te doen. Bij de meeste foto's met relatief korte belichtingstijden zult u er geen last van hebben, dit verschijnsel treedt immers pas bij relatief lange belichtingstijden op. Wellicht krijgt u een nieuwe sensor met meer (very) hot pixels terug of treden ze op storender posities in de foto op. Een very hot pixel in een foto met lange belichtingstijd kunt u overigens gemakkelijk achteraf corrigeren met behulp van de kloonstempel. In deel 3 leert u hoe u dit kunt doen. Als u erg veel foto's met lange belichtingstijden maakt en u veel last hebt van hot pixels, kijk dan of u een vervangende sensor kunt krijgen.


Het rolletje over vorm is wat moeilijker. Het is beter als u hier zelf over nadenkt (en vooral goed rondkijkt!) dan dat u mijn voorbeelden namaakt. Daarom laat ik bij deze opdracht mijn foto's achterwege, maar ik wil u wel het volgende als tip meegeven.Houdt er echter wel rekening mee dat u de objecten onder dezelfde omstandigheden moet bekijken als waaronder u ze gefotografeerd hebt. Als u foto's maakt op een tafel naast een raam waarbij u het daglicht gebruikt, al dan niet geholpen door een extra lichtbron (zoals in de voorbeelden), bekijk dan niet achteraf de foto's en de objecten onder een tl-buis, maar onder vergelijkbare en liefst precies dezelfde omstandigheden. Alleen in dat geval kunt u bepalen of uw camera (of uw monitor of printer!) een bepaalde voorkeur of juist afkeur voor een bepaalde kleur heeft. We komen hier later op terug.

Bekijk de twee figuren in afbeelding 10.10. Als ik beweer dat ik hier een grijze bal op een blauwe tafel heb getekend, zult u wellicht geneigd zijn me in het geval van de figuur rechts gelijk te geven. Bij de figuur links zult u misschien zeggen dat ik een grijze cirkel op een blauwe trapezoïde of iets dergelijks heb getekend.

Grijze-bal

 

Waarom zou u de figuur rechts wel een bal of bol op een blauw vlak vinden? Misschien vond u trouwens meteen al dat mijn bewering in beide gevallen fout was, maar rechts is in elk geval iets beter gelukt. Ook rechts heb ik inderdaad geen bol getekend (wat per definitie onmogelijk is), maar de grijze cirkel gevuld met een (radiaal) kleurverloop. Ik heb voor deze figuren storende elementen, zoals schaduw van de bol op het vlak, weggelaten. Het gaat namelijk om licht, kleur en vorm.

Blijkbaar vinden we de kleuren of tinten van een aantal schijven op een object (wat beter te zien is in afbeelding 10.11) bepalend voor de vorm ervan. Voor onze waarneming is de cirkel met kleurverloop in de afbeelding 10.10 een bol, we denken zelfs te weten waar de lichtbron zich bevond (vanwege de positie van de vlek met hoogste helderheid).

cirkel-verloop

De cirkel heb ik in figuur 10.11 opzettelijk met een beperkter kleurverloop ingekleurd. Hier zien we duidelijk dat het een cirkel met kleurverloop betreft, maar toch is de suggestie van diepte en dus de bolvorm al aanwezig.

Misschien denkt u nu dat het probleem pas optreedt bij een beperkt aantal kleuren en dat u daar als tekenaar goed op moet letten, maar daar als fotograaf die immers met 16 miljoen kleuren kan werken geen last van zult hebben. Daarmee heeft u gedeeltelijk gelijk; het aantal kleuren (tinten, gradaties) is hier bepalend, maar ook als fotograaf zult u goed moeten opletten.

U fotografeert immers de driedimensionale werkelijkheid, wat betekent dat u een tweedimensionale weergave van driedimensionale objecten maakt. U zult er dus op moeten letten dat de dimensie die u in uw foto weghaalt toch goed wordt weergegeven. Zoals ik al aangaf, is vooral de belichting daarbij van belang. In afbeelding 10.12 heb ik de bijna-bol van afbeelding 10.11 achteraf digitaal overbelicht. Het resultaat is weer een soort lichtgrijze cirkel, waarbij de vorm verder verloren is gegaan. U ziet dat het dus wel degelijk belangrijk is dat u de belichting aanpast. Als dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat u een groot object bij daglicht buiten fotografeert, moet u nadenken over de hoek waaronder u de foto maakt.

2. Fotografeer enkele objecten vanuit een bepaalde hoek of wijzig de belichting. Denk daarbij aan het verhaal hiervoor over vorm, kleur en belichting. Probeer in elk geval de vorm zo goed mogelijk te laten uitkomen.

10.2.1 Patronen en herhaling

In het verlengde van vorm liggen patronen en herhalingen, het telkens terugkeren van een bepaalde vorm. U kunt daarbij een stuk kippengaas op een wit papiertje fotograferen, maar dat zal niet direct een interessante foto opleveren (hoewel u ook hierbij creatief te werk kunt gaan). Dit rolletje vormt dan ook niet zozeer een oefening in het fotograferen met de juiste instellingen, als wel een oefening in het kijken en beoordelen, wat minstens net zo belangrijk is als het kiezen van de juiste instellingen voor uw camera.

1. Maak een aantal foto's met patronen en/of herhaling. Probeer er een zo interessant mogelijke foto van te maken.

Denk daarbij niet alleen aan de keuze voor belichting en gezichtshoek, maar experimenteer bijvoorbeeld ook met gekleurd licht (en bewerk dit eventueel later verder). Experimenteer ook met scherptediepte (zie bijvoorbeeld afbeelding 10.13).

toetsen-in-rood

2. Probeer ook foto's te maken waarin meerdere herhalingen of patronen zichtbaar zijn. Zie bijvoorbeeld afbeelding 10.14, waarin niet alleen een aantal gitaren zichtbaar zijn, maar binnen elke gitaar ook herhaling zichtbaar is, zoals de snaren, frets en dergelijke.


10.3 Dynamiek

Als fotograaf plet u de werkelijkheid van 3D naar 2D. Daarnaast doet u nog iets anders: u snijdt een plakje uit de tijd. Soms doet dat er toe. Bij de stillevens, de naam zegt het al, maakt dit niet veel uit. Fotografeert u echter een wielrenner die over de streep komt, dan maakt dit wel verschil. Het is tenminste niet aannemelijk dat deze persoon even stilstond vlak voor de streep met een aanstormend peloton erachter.

Voor sommige foto's is het belangrijk dat u de suggestie van beweging erin brengt, voor andere foto's is het juist belangrijk deze eruit te halen. Als u de wielrenner in kwestie wilt herkennen, hebt u niets aan een foto waarop deze als vage streep te zien is. Een duidelijk voorbeeld dat in fotoboeken vaak wordt gebruikt, zijn foto's van watervallen. Fotografeert u deze met een zeer korte sluitertijd, dan ziet u de individuele opspattende waterdruppels. Fotografeert u ze echter met een relatief lange sluitertijd, dan wordt het water een wazige mist, waarbij de overige stilstaande objecten zeer scherp worden weergegeven.

Helaas heb ik geen waterval achter mijn huis, zodat een voorbeeld niet zo snel is gemaakt. Is dat bij u wel het geval, dan is de eerste stap voor u eenvoudig: fotografeer de waterval zowel met zeer korte als enkele langere sluitertijden. Maar omdat dit voor de meesten van u niet direct een optie is, zoeken we even verder naar andere mogelijkheden, die gemakkelijker te vinden zijn.

In hoofdstuk 3 hebt u al een voorbeeld gezien van gesimuleerde foto's waarbij zowel een korte als een lange sluitertijd werd gebruikt. Daarnaast werd een foto getoond waarbij, opnieuw gesimuleerd, het volgen van het bewegende object werd getoond. Stap 1 is dus snel gevonden.

1. Maak enkele foto's van bewegende objecten. Fotografeer ze zowel met korte als lange sluitertijd en maak ook foto's met langere sluitertijd waarbij u probeert het bewegende object zo goed mogelijk te volgen.

Als uw camera verschillende modi kent, schakel deze dan in de modus S (Shutter Priority), zodat u gemakkelijk de sluitertijd kunt manipuleren terwijl de camera de bijbehorende overige belichtingsvariabelen regelt.

2. Doe hetzelfde nogmaals, waarbij u probeert de verschillen tussen de sluitertijden zo groot mogelijk te maken.

Een voorbeeld hiervoor ziet u in afbeelding 10.15, een foto van een haven, genomen bij zonsondergang met een sluitertijd van 1/30 sec. Let vooral op het water.

In deze foto is het water gedetailleerd zichtbaar, u ziet de afzonderlijke golfjes in het water. In afbeelding 10.16 ziet u twee fotos die nachts gemaakt zijn van dezelfde haven, maar nu met een sluitertijd van 1 minuut. In dit geval is het water vanwege de lange sluitertijd een bijna gladde massa geworden. Enige camera-onscherpte is hier opnieuw ontstaan vanwege het feit dat de temperatuur, zeker op deze plek, tamelijk was gedaald en de fotograaf daar niet geheel ongevoelig voor was.

Meerdere-herhalingen

Een ander voorbeeld is een kraan waaruit u enkele waterdruppels per seconde laat lekken. Ook hier is het effect van lange en korte sluitertijden goed te zien.

3. Maak enkele foto's van een kraan waaruit u enkele druppels per seconde laat vallen. Maak foto's met lange en korte sluitertijden.

Foto 04 werd gemaakt met een sluitertijd van 8 seconden, foto 05 met een sluitertijd van 1/2000 sec. In het laatste geval is een extra lichtbron en de flitser van de camera gebruikt. In foto 05 ziet u zeer scherpe druppels (en de schaduw ervan). In foto 04 ziet u een wazig straaltje, dat overigens anders is dan wanneer u de kraan een dun straaltje water zou laten geven. Het straaltje zou scherper worden weergegeven, in dit geval worden de verschillende druppels in de belichtingstijd van 8 seconden lange wazige strepen over elkaar heen.

4. Probeer enkele foto's te maken waarin gedeeltelijke beweging zichtbaar is.

Denk bijvoorbeeld aan sportfoto's. In afbeelding 10.18 ziet u een voorbeeld waarbij alleen de hand, bal en racket bewegen.

De technisch/educatieve foto's in afbeelding 10.17 zijn niet echt spectaculair te noemen. Probeer zelf wat creatievere druppelfoto's te maken.Niet alleen objecten kunnen bewegen, ook de camera. Soms kan het leuke foto's opleveren door bij langere sluitertijden met opzet extreme camerabewegingen te maken.

5. Maak foto's met lange belichtingstijden. Maak zowel chaotische als gecontroleerde bewegingen (bijvoorbeeld alleen horizontaal, diagonaal of een lichte curve) met de camera terwijl de sluiter geopend is.

chaotische-camerabewegingen

Afbeelding 10.19: Chaotische camerabewegingen [07].

10.3.1 Lichtslangen

U kent wellicht de nachtfoto's van een snelweg waarbij de koplampen en achterlichten van de voorbijrazende auto's voor witte en rode lichtslangen zorgen. Voor een dergelijke opname moet u wachten tot het goed donker is, een plek zoeken om veilig foto's te kunnen maken en experimenteren met sluitertijd, belichting en belichtingscompensatie. In dit voorbeeld heb ik een niet zo bijster interessant stukje snelweg gezocht achter een klein bruggetje dat een veilige plek bood.

We kunnen uitrekenen met welke sluitertijden we moeten werken. Een rekensommetje leert ons dat een auto die 120 km/u rijdt in één seconde 33 (en één derde) meter per seconde aflegt. Bij sluitertijden van paar seconde (1s) krijgen we dus lichtslangen van 33 meter, mits de auto inderdaad precies 120 km/u rijdt. Het effect van de lichtslangen wordt sterker bij een grotere lengte, dus kies ik ervoor de foto's te maken met sluitertijden van 2s, 4s en 8s.

lichtslangen

Het uiteindelijke resultaat is niet alleen afhankelijk is van de instellingen op uw camera. Naast de instellingen spelen de volgende factoren een rol:

  • hoeveel auto's er rijden tijdens de belichtingsperiode
  • in welke richting de auto's rijden
  • de verhouding tussen het aantal auto's van u af (achterlichten weinig licht) en naar u toe (koplampen met veel licht)

Vanwege deze variabelen is het raadzaam om meerdere foto's te maken bij elke instelling. Experimenteer daarom niet alleen met de sluitertijd, maar ook met belichtingscompensatie.

1. Zoek een goede locatie om de foto's te maken.

In dit voorbeeld is een relatief saaie locatie gebruikt, omdat het bij deze opnamen eigenlijk alleen gaat om de lichtslangen en de resterende belichting op de weg. Door de bocht in de weg levert deze locatie een iets leukere foto op dan bij een rechte weg, hoewel kaarsrechte lichten (als de bestuurders meewerken) op een lang recht stuk ook aardige foto's kunnen geven. Kies in eerste instantie net als ik een dergelijke locatie. Ga pas later op zoek naar interessanter plekken zoals bedrijfspanden met verlichte ramen langs de weg. U kunt ook opnames maken als de zon net ondergaat, waarbij u mooie resultaten kunt boeken met de lange belichtingstijden en de laatste zonnestralen in de lucht.

Stel de camera in op Shutter Priority, zodat u de sluitertijd kunt instellen en de belichtingsmeter een bijpassend diafragma zoekt, en stel een sluitertijd van 2s in. Als uw camera geen SP Mode heeft, kies dan Manual Mode. Stel de sluitertijd in op 2s en neem enkele foto's met verschillende diafragma-instellingen.

2. Plaats de camera op een statief en zoek een geschikte plek en richting om de foto's te maken.

3. Maak enkele foto's, afhankelijk van de situatie. Gebruik daarbij de zelfontspanner of afstandsbediening om onscherpte door het afdrukken te voorkomen.

Als er een continue verkeersstroom is, hoeft u niet veel foto's bij dezelfde instellingen te nemen aangezien er dan nauwelijks variatie (wat betreft lichtomstandigheden) zal optreden. Wel is het natuurlijk zo dat in de verschillende opnames auto's kunnen afremmen, inhalen (of in het geval van op- en afritten) de weg kunnen opkomen of verlaten. Is de verkeersstroom gevarieerd, bijvoorbeeld omdat er regelmatig gaten vallen in beide weghelften, probeer dan in te schatten wanneer er zowel links als rechts een bepaalde hoeveelheid verkeer in beeld zal zijn.

4. Zet de sluitertijd op 4s en neem opnieuw enkele foto's met verschillende diafragma- en compensatie-instellingen. Maak ten slotte enkele foto's met nog langere belichtingstijden, bijvoorbeeld 8 sec (wat dus lichtslangen van 266 meter zal opleveren, indien de auto's inderdaad 120 km/u rijden).

Op de online omgeving vindt u een aantal van de foto's. 


Opdrachten

Bij de opdrachten wordt aangegeven hoeveel foto's u maximaal mag insturen. Als u te veel foto's instuurt, worden ze niet beoordeeld.

  1. Maak een opname met direct licht. Experimenteer met de witbalans en de belichtingsinstellingen. Lever de beste foto in op de online leeromgeving’.
  2. Maak twee foto's waarin u de schaduw van objecten tot hoofdmotief van de foto maakt. Lever beide foto's in op de online leeromgeving. 

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de beroepsopleiding Beroepsfotograaf worden dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij het NTI te studeren

  1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  2. Deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Voordelig lesgeld
  4. Flexibel studeren
  5. Studeren met veel persoonlijk contact
  6. Modern studeren via onze digitale leeromgeving
  7. Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
  8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus
1 / 1